Afscheidsrrede Prof. Ruud Bosch

Afscheidsrrede Prof. Ruud Bosch


Afscheidsrede Prof. dr. J.L.H. Ruud Bosch uitgesproken op 12 januari 2018 in Gasthuis Leeuwenbergh te Utrecht

 

"In het verleden ligt het heden en in het nu wat worden zal"

College van Bestuur van de Universiteit Utrecht, Raad van Bestuur van het Universitair Medisch Centrum Utrecht, Management van de Divisie Heelkundige Specialismen en Management van het UMC Utrecht Cancer Center, Dames en Heren, Collega’s, Vrienden en Familie.

Na het Universitair Medisch Centrum Utrecht ruim dertien jaar gediend te hebben als hoogleraar, opleider en afdelingshoofd, eerst van de afdeling urologie en later van de afdeling urologische oncologie, neem ik vandaag afscheid met de traditionele afscheidsrede of het afscheidscollege. In de titel en de tekst van een afscheidsrede, probeert de hoogleraar vaak iets verhevens te suggereren door het gebruik van Latijnse citaten die meestal afkomstig zijn van teksten uit de Oudheid of vroege Middeleeuwen; ook bijbelcitaten doen het altijd goed. En, indien de hoogleraar minder bijbelvast is, is Einstein of een ander wetenschappelijk genie of filosoof erg geliefd. Wat zou daarvoor de reden kunnen zijn? Willen we ons een beetje op één lijn plaatsen met deze grote geesten of in lijn met een vermeende eeuwenoude traditie of wijsheid? Mij past hier bescheidenheid: ik heb gisteren pas mijn eerste les Latijn genoten, ik ben niet erg bijbelvast en als jongen afkomstig uit een Zuid-Limburgs arbeidersgezin kan ik niet bogen op een familiaire traditie van artsen of wetenschappelijke genieën. Om mijn rede enige filosofische diepgang te geven zal ik toch wat citaten van bekende personen gebruiken. Omdat naar mijn mening en beleving, het leven van een hoogleraar-afdelingshoofd, in ieder geval in het UMC Utrecht, veel wegheeft van de lotgevallen van een voetbalcoach zal ik daarom putten uit de wijsheden van de wereld van het voetbal. Voetballers en voetbalcoaches citeren in een afscheidsrede lijkt enigszins vulgair, maar ik moet u toch tegenspreken als u dat mocht denken. Pieter Winsemius, ooit minister van VROM en firmant bij McKinsey & Company werd later lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg. Niet niks, zo'n CV. Hij publiceerde in 2004, het jaar dat ik benoemd werd tot hoogleraar aan de Universiteit Utrecht, een boek over leiderschap, met als titel: “ Je gaat het pas zien als je het doorhebt – Over Cruijff en leiderschap”. Vergeef me dus dat ik mij tot dat niveau probeer te verheffen.

 

Inleiding. 

De titel van mijn afscheidsrede "In het verleden ligt het heden en in het nu wat worden zal" is een citaat van de dichter Willem Bilderdijk uit het begin van de 19e eeuw. Dit citaat schetst een mooi kader voor een evaluatie van de urologie en wel met name de academische urologie en mijn bescheiden bijdrage daaraan in de afgelopen periode van ruim 30 jaar of zelfs 33 jaar als ik het specifiek urologische deel van mijn opleidingstijd meereken. Historisch bewustzijn is onmisbaar: de studie van de geschiedenis leert ons relativeren en nuanceren. De meeste cruciale ontwikkelingen in die periode van éénderde eeuw waarin ik actief ben in de urologie zijn natuurlijk door anderen, vaak zelfs niet-urologen, in gang gezet en ik stond erbij en keek er naar als een soort Zelig, een figuur uit een mockumentaryfilm van Woody Allen uit 1983. Zelig was bij alle wereldveranderende gebeurtenissen aanwezig en wou zo graag door iedereen aardig gevonden worden dat hij zich aan alles en iedereen aanpaste. Dat laatste is mij overigens niet gelukt omdat het lastig is als de kennis en expertise die je hebt ontwikkeld op basis van de best beschikbare "evidence" gekoppeld is aan een zekere mate van eigenwijsheid. Al vroeg in mijn medische carriére toen ik senior co-assistent was op de afdeling kindergeneeskunde in Ziekenhuis "de Lichtenberg" te Amersfoort zei dr. Drukker, toen een bekend kinderarts en ook een soort huisarts van de koninklijke familie: "Ruud weet veel. Hij is wel wat eigenwijs, maar dat mag wel van mij". Johan Cruijff had dit natuurlijk ook al lang door toen hij zei: "Als ik denk dat ik een fout ga maken dan maak ik hem niet". Toch heb ik in die 33 jaar natuurlijk ook fouten gemaakt en van die fouten leer je. Ik heb dus veel geleerd, ook dingen die ik eigenlijk helemaal niet had willen leren. Het zijn die momenten die ik óók met u wil delen in deze rede. De urologie is echt een pracht specialisme met een mooie combinatie van chirurgie en beschouwing. Wij urologen houden ons bezig met de chirurgische en conservatieve behandeling van de urinewegen bij man en vrouw en de voortplantingsorganen bij de man. 

In Rotterdam heeft Prof. Fritz Schröder mij vanaf mijn opleidingstijd gestimuleerd en ook de mogelijkheden aangereikt om het pad van een academische carrière op te gaan. Dat is de reis van mijn leven geworden en eigenlijk ben ik nog steeds niet uitgereisd! De academische carrière heeft mij veel moois gebracht: de voldoening in de patiëntenzorg, mogelijkheden om onderzoek te doen en congressen te bezoeken, vriendschappen en..... je ziet nog eens wat van de wereld. Urologie als medisch specialisme heeft naast veel moois ook iets tragisch. Dat werd een paar jaar geleden fraai verwoord door de Amerikaanse Urologe Kathleen Kobashi: "We as urologists take care of those parts of the body that patients do not want to be taken care of". Wij houden ons dus bezig met het behandelen van ziekten en aandoeningen van organen en delen van het lichaam die door de patiënt als intiem ervaren worden en waarvan hij of zij dus eigenlijk liever niet heeft dat iemand er aan zit, ook geen uroloog. En, voor mannen geldt dat nog sterker dan voor vrouwen.

Misschien is er de laatste jaren een lichte kentering te bespeuren door de "awareness" omtrent prostaatkanker en de behandelmogelijkheden daarvoor, maar voor de goedaardige urologische aandoeningen geldt dat nog steeds. Deze tragiek speelt ook door bij management en verzekeraars. De meeste managers met medische of niet-medische achtergrond zijn nog steeds man; en, de mannelijke struisvogelpolitiek die de noodzaak van urologische zorg neigt te bagatelliseren speelt de urologie nog steeds parten als het gaat om budgettaire overwegingen.

Prostaatkanker is in 2016 met bijna 20% van alle kankergevallen de meest voorkomende vorm van kanker bij de man; bij de vrouw staat borstkanker met bijna 30% aan de top. Als je alle urologische tumoren, prostaat, blaas, nier en teelbal bij elkaar neemt dan is 30% van alle kankergevallen bij de man een urologische vorm van kanker. Wist u dat baarmoederhalskanker bij de vrouw ongeveer even vaak voorkomt als teelbalkanker bij de man? Waarschijnlijk had u gedacht dat baarmoederhalskanker veel vaker voorkomt omdat er meer over gepraat wordt en veel meer aandacht voor is in media en bij bestuurders dan voor de mannelijke teelbal. Wij mannen praten dan ook niet zo graag over onze teelballen en prostaat. De budgetten worden daardoor wel scheef verdeeld. En, je zou bijna denken dat bestuurders en verzekeraars seksistisch bezig zijn ten nadele van de man. De nadruk op kankerbehandeling en met name de prostaatkanker-behandeling in ons specialisme heeft er wél voor gezorgd dat de urologie echt is gaan meetellen in de maatschappelijke en politieke discussie.

Terugkomend op de titel van mijn rede beschouw ik de periode van medio 1981 tot eind 2013 als "het verleden”. Dat is Hoofdstuk 1 van deze rede. Voor Bilderdijk zijn "het “heden" en het “nu” duidelijk 2 verschillende aanduidingen in de tijd. Het heden moet kennelijk als “hedendaags” worden gezien en "het nu” krijgt een meer momentane invulling.In mijn overpeinzingen begint

Hoofdstuk 2, "het heden” op 1 januari 2014. Er zou in samenwerking tussen het UMC Utrecht en het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis een nieuw Oncologisch ziekenhuis op de Uithof in Utrecht komen.

Hoofdstuk 3, "het nu” is de korte periode van de afgelopen 4 maanden, die gekenmerkt werd door een verrassende wending waarbij het UMC Utrecht Cancer Center samengevoegd werd met de Divisie Beeld onder een nieuw management.

Tenslotte Hoofdstuk 4: “wat worden zal” behelst de toekomst. Een uitgebreid verhaal over de toekomst is eigenlijk niet echt een onderwerp dat past in een afscheidsrede. Echter, ik neem afscheid van de klinische werkzaamheden in het UMC Utrecht maar nog niet helemaal van mijn geliefde specialisme urologie.

Hoofdstuk 1

In de academische opleidingsperiode in het AZR-Dijkzigt vanaf 1984 raakte ik toenemend geïnteresseerd in de functionele en reconstructieve urologie én de urodynamica die de basis is van de diagnostiek in de functionele urologie. In Rotterdam heb ik tijdens mijn opleiding kunnen samenwerken met Derek Griffiths, een Engelse fysicus die naar Rotterdam was gehaald door Prof. Nico Bakker, de voorganger van Fritz Schröder. Griffiths werkte in die jaren veel samen met Prof. Roel Scholtmeijer, de kinderuroloog in Rotterdam, en zo kwam het dat ik tijdens mijn stage kinderurologie intensief werd ondergedompeld in de urodynamica. De urodynamica is een test- of onderzoeksmethode waarmee je informatie vergaart over de functie van de urinewegen, de blaas, de prostaat. Door middel van natuurkundige metingen kun je een objectieve functionele diagnose stellen. Meten is Weten. Derek heeft op mij een onuitwisbare indruk gemaakt en is gedurende de rest van mijn carrière klankbord en vraagbaak gebleven; ook nadat hij Rotterdam in 1987 verliet en eerst naar Edmonton in Canada en later naar Pittsburg in de VS ging.

Na mijn opleiding kon ik in 1987 en 1988 als fellow gaan werken in UCSF (University of California at San Francisco). In San Francisco kon ik onder de inspirerende leiding van Prof. Emile Tanagho mijn eerste schreden op weg naar superspecialisatie zetten én het ontstaan van de neuromodulatie, een vorm van electrostimulatie, als behandeling van blaasfunctiestoornissen van dichtbij meemaken. Ik leerde van Tanagho vooral dat reconstructieve urologische chirurgie geen "one-stop-shop-urologie" is. Voordat je een ingrijpende reconstructieve operatie bij een patiënt gaat uitvoeren moet je die patiënt goed kennen en alle "ins-and-outs" van de operatie met hem of haar besproken hebben; ook, dat het niet altijd goed gaat en dat het resultaat soms tegenvalt. Het zijn tenslotte geen levensreddende ingrepen maar ingrepen die de levenskwaliteit moeten verbe-teren en dan is het rampzalig als je een patiënt van de regen in de drup zou helpen.

Terug in het AZR-Dijkzigt introduceerde ik eind 1989 in Nederland de Neuromodulatie als behandeling van aandrang-incontinentie die niet gereageerd had op medicijnen. Na een succesvolle aanvraag voor een "Ontwikkelingsgeneeskundeproject" bij de Ziekenfondsraad kon ik de neuromodulatie als behandeling voor urine-incontinentie ten gevolge van een overactieve blaas verder uitwerken en evalueren. Ik kon o.a. Jan Groen aanstellen als klinisch urodynamicus. Door het ontwikkelingsge-neeskundeproject (OG-90-005) hebben Jan Groen en ik, een kritische evaluatie van deze behandeling kunnen uitvoeren. Veel belangrijker was nog dat door dit project meerdere technisch assistenten konden worden aangesteld en een exploitatie budget voor functioneel-urologische behandelingen kon worden zeker gesteld. Neuromodulatie is daardoor ook een echte "game-changer" geworden want hiermee is de functionele en neuro-urologie in Rotterdam op de kaart gekomen als een superspecialisatie die er toe doet.

In mijn eerste jaren in Rotterdam viel me ook al snel op dat we in Nederland een grote achterstand hadden op het gebied van de urethrachirurgie, zeker ten opzichte van bijvoorbeeld San Francisco, waar Jack McAninch, de "vice-chairman" van de afdeling een coryfee op dat gebied was. Urethrastricturen zijn vernauwingen in de plasbuis die ontstaan door littekenvorming. Littekenvorming in de urethra kun je op meerdere manieren oplopen; vaak begint het met een trauma waarbij de patiënt schrijlings met zijn kruis op een harde onderlaag valt, zoals bijvoorbeeld de stang van de fiets. Bijna alle stricturen of vernauwingen van de urethra of plasbuis bij de man werden behandeld met een eenvoudige kijkoperatie die weinig tijd vergde en daardoor weliswaar profijtelijk was voor de uroloog, maar ook matig effectief en vooral weinig duurzaam. Indien je als patiënt pech had en op jonge leeftijd al zo'n kijkoperatie moest ondergaan dan was de kans groot dat je tegen je 50e bijna jaarlijks onder het mes moest en tussentijds met een catheter zelf je plasbuis moest oprekken. In Nederland deed bijna niemand open chirurgische behandelingen, de optie die op de lange termijn de beste resultaten geeft.

Door bemiddeling van Fritz Schröder konden in 1993 twee coryfeeën die ik eerder in de VS bezocht had, Jerry Jordan en Charles Devine, als "visiting professors" naar Rotterdam komen en mij verder op weg helpen. Na 10 jaar deed ik ongeveer 15-20 urethrareconstructies per jaar. In 2000 werd ik in het ErasmusMC Rotterdam benoemd tot bijzonder hoogleraar Urologie. Het "Krimpenproject" kwam op stoom en had zijn eerste follow-up rondes bereikt. De publicaties van mijn 1e promovendus-in-spé, Marco Blanker, stroomden met grote snelheid naar de relevante tijdschriften. Het Krimpenproject was een samenwerkingsproject met de afdeling huisartsgeneeskunde van het ErasmusMC en de huisartsen van Krimpen aan den IJssel. Een groot cohort van mannen tussen de 50 en 75 jaar werd in Krimpen gevolgd en onderzocht op het ontwikkelen van klachten van de urinewegen en de factoren die daarbij een oorzakelijke rol speelden. Begin 90-er jaren, in de opstartfase van de ERSPC, de beroemde door Schröder opgezette Europese studie naar de waarde van prostaatkankerscreening, is Krimpen aan den IJssel gebruikt als pilotlocatie om de logistiek uit te testen. Toen de ERSPC echt van start ging, kon in Krimpen niet meer gerekruteerd worden omdat daar bij de mannen in de pilot al op PSA getest was. Dat gaf mij weer mogelijkheden de ideale locatie van Krimpen te gebruiken voor een langlopend onderzoek naar de ontwikkeling in de tijd van problemen van de urinewegen. Ons onderzoeksteam bestond uiteindelijk uit dr. Frans Groeneveld, huisarts in Krimpen, dr. Arthur Bohnen ook huisarts, en als methodoloog verbonden aan het huisartseninstituut en Prof. Siep Thomas. Het gezondheidscentrum van Krimpen aan den IJssel waar 5 volledig gecomputeriseerde huisartsenpraktijken gehuisvest waren werd ons "epidemiologische laboratorium". We konden een cohort van ongeveer 1700 mannen tussen de 50 en de 75 jaar gaan volgen met 2-jaarlijkse onderzoeksrondes; uiteindelijk zijn het 4 rondes geworden. Ongeveer 50% van alle mannen die aan de criteria voldeden deden mee en dat is erg hoog voor een onderzoek waar meerdere, deels ook invasieve, metingen bij de deelnemers gedaan moesten worden. Het Krimpenproject heeft veel belangrijke inzichten opgeleverd.

Een van mijn Rotterdamse promovendi op dit project, Esther Kok, kon ik later in Utrecht aanstellen als epidemioloog-onderzoekscoördinator. Dit heeft geleid tot een enorme verbetering van de kwaliteit van de Utrechtse manuscripten door toepassen van state-of-the-art statistiek en de principes van "evidence-based medicine". Esther is een aantal jaren geleden op basis van een EAU (European Association of Urology) -beurs een jaar naar Bristol kunnen gaan om onder leiding van mijn goede kennis Prof. Jenny Donovan ervaring op te doen met het opzetten van een eigen onderzoekslijn. Na terugkomst in Nederland liet het binnenhalen van geld zo lang op zich wachten dat Esther een aanbod om in Bristol te komen werken heeft aangenomen, en ons in april 2013 verliet, net een week of wat voor ik uiteindelijk een grote subsidie kreeg. Maar niet getreurd, dit gaf ons de mogelijkheid om in samenwerking met het AvL, Prof. Neil Aaronson, hoofd van de psychosociale afdeling, dr. Henk van der Poel en Prof. Simon Horenblas, een nieuwe promovendus aan te nemen die op basis van een hergedefinieerd project onderzoek kon gaan doen: dat is het Prokeus-onderzoek van Marie-Anne van Stam geworden. In het Prokeus-onderzoek wordt onderzocht wat de factoren zijn die bepalen hoe mannen met nieuw ontdekte prostaatkanker hun therapie kiezen en welke invloed dat heeft op hun levenskwaliteit.

Even een stapje terug:

In december 2003, werd ik door de voorzitter van de benoemingscommissie van het UMC Utrecht, Prof. Jan Battermann, benaderd met de vraag of ik interesse had om te solliciteren voor de positie van hoogleraar-afdelingshoofd in Utrecht. Ik had in eerste instantie weinig animo om hier op in te gaan. De afdeling Urologie in Utrecht was nog niet zo lang daarvoor bijna ten dode opgeschreven. Het project "Durven Kiezen" in het UMC Utrecht was daarvan de oorzaak. Er werd sinds 2000 niet meer in de afdeling geïnvesteerd. Prof. Schröder had op verzoek van de Raad van Bestuur in de aanloop tot deze desastreuze plannen een uitgebreid en zeer kritisch rapport geschreven over de afdeling. Het telefoontje van Battermann was voor mij toch een trigger om over mijn toekomst na te denken en hoewel ik het in Rotterdam prima naar mijn zin had en mooie onderzoeksprojecten had lopen, bedacht ik ook dat als ik deze uitdaging nu niet zou oppakken ik dan waarschijnlijk tot mijn pensioen in Rotterdam zou blijven. Op zich niets mis mee natuurlijk, maar ik had nog wel zin in een nieuwe draai aan mijn carrière. En, het klinkt misschien wat pathetisch, maar als alumnus van de Rijksuniversiteit Utrecht, vond ik het eigenlijk niet kunnen dat mijn universiteit, mijn alma mater, geen fatsoenlijke academische afdeling urologie in stand kon houden.

Ik hakte uiteindelijk de knoop door en op 1 oktober 2004 begon ik in Utrecht. Wat ik aantrof was een staf waarvan zeker een deel nogal getraumatiseerd was door de voorafgaande jaren van "Durven Kiezen". Er viel al snel een lijk uit de kast. Ik hoorde dat de subafdeling kinderurologie in juli 2004, dus nog voor mijn aantreden, bij het stafconvent, het vertrouwen in de Raad van Bestuur en de Divisieleiding had opgezegd omdat het subhoofd het niet eens was met de integratie van de kinderurologie in de afdeling urologie en het pakket aan plannen dat de RvB en divisieleiding samen met mij had uitgewerkt. Eigenlijk is dat nooit meer goed gekomen. Het dieptepunt van mijn carrière hier in Utrecht is dan ook de mislukking de kinderurologie goed te integreren in de afdeling. Wat kan ik daar nog meer over zeggen? Leo Beenhakker, een van de meest succesvolle Nederlandse voetbalcoaches, werd in een recent interview bevraagd over het WK van 1990 toen het Nederlands elftal zich onder zijn leiding blameerde en ten onder ging aan ruzie en gekonkel. Don Leo zei dat hij potentiële onthullingen hierover in "doos 13" had opgeborgen. Mijn "doos 13" blijft vandaag, net als die van Leo Beenhakker, dicht !

De opdracht die ik van de RvB meekreeg bestond uit een aantal onderdelen: 1. Het "academizeren" van de afdeling. Daartoe moest het basaal onderzoek gestimuleerd worden en de opleiding weer op een kwantitatief en kwalitatief goed peil komen. Dat is gelukt.

2. De oncologische urologie moest op de kaart gezet worden. Dat is ook gelukt.

3. De kinderurologie moest in de afdeling geïntegreerd worden. Dat is dus niet gelukt.

Het begin was lastig, want een aantal van de zittende stafleden vond dat er in Utrecht sowieso top-urologie werd bedreven en daardoor was de motivatie om nog iets van mij te leren beperkt. Leo Beenhakker zei over zijn voetbalelftal iets dat mijns inziens ook geldt voor de staf van sommige afdelingen urologie. “Voetbal is een spiegel van de maatschappij. Ze doen hun best, tuurlijk, maar ze zijn te snel aangebrand en aangeslagen. En, ze zijn meteen beledigd als ik daar wat van zeg”.  En over zelfbenoemde godenzonen sprak ook Johan Cruijff nog wijze woorden: "Motivatie is een woord waar ik niet van houd. Als ik een topspeler die bij mij speelt, in het Nederlands elftal, in het eerste van Ajax, bij Barcelona, op dat niveau, als ik dan moet beginnen aan motivatie, dan stuur ik ze net zo lief weg”.

Het opbouwen van een loyale staf door mensen van buiten te halen is eigenlijk een bittere noodzaak voor ieder afdelingshoofd dat ergens nieuw komt. Zelfs je secretaresse moet je zelf kunnen kiezen. Peter Rosier was de eerste "nieuwe" die ik binnen kon halen omdat zijn hart ondanks zijn toenmalige baan bij het CBO gelukkig nog bij de urodynamica lag. Peter heeft de Utrechtse urodynamica internationaal op de kaart gezet en ook veel aan training gedaan. Naast Esther Kok kwam later ook Arto Boeken Kruger, eerst als fellow en later als staflid. Arto heeft in Utrecht de robotgestuurde laparoscopische radicale prostatectomie, ook wel RALP genoemd, van de grond getild. Inmiddels zijn we een centrum met RALP-aantallen die er toe doen en sinds 2015 zijn we Europees erkend opleidingscentrum van de ERUS, de European Robotic Urological Society.

Als u dit allemaal hoort dan verbaast het u misschien een beetje wanneer ik zeg dat we ondanks alles met deze afdeling heel veel hebben kunnen bereiken.

Patiëntenzorg: Eerst maar de patiëntenzorg: Veel triviale zaken waren in Utrecht niet goed geregeld. We hebben vanaf 2005 de poli gereorganiseerd en uiteindelijk zijn we er in geslaagd om ook weer een eigen beddenafdeling, met het bordje "afdeling urologie" boven de toegang, te krijgen; dat duurde wel tot 10 mei 2011. Eindelijk was de afdeling urologie weer "zichtbaar" in het UMC Utrecht. Het operatieve pallet is flink uitgebreid sinds 2004. In de vergelijking tussen 2005, mijn eerste volle jaar in Utrecht, en 2016 zijn de aantallen operaties enorm toegenomen. Bijna 9x keer zoveel operaties voor prostaatkanker en dubbel zoveel radicale blaasverwijderingen voor blaaskanker. De expertise in de urethrachirurgie die ik in Rotterdam vanaf 1993 had kunnen ontwikkelen heb ik in Utrecht kunnen inzetten om tot een landelijk verwijscentrum voor urethrachirurgie te komen. Het aantal urethraoperaties is zowat vertienvoudigd, en dat zonder reclame te maken.

Wetenschap: Mijn eerste promovendus werd in 2010, precies 6 jaar na mijn aantreden in Utrecht, Matthijs Grimbergen. Matthijs promoveerde op onderzoek naar Ramanspectroscopie, een nieuwe onderzoeksmethode die de blaaskanker-diagnostiek sterk zou kunnen verbeteren. In samenwerking met dr. Christiaan van Swol, klinisch fysicus in het Antoniusziekenhuis, is het gelukt om voor dit onderzoek een significante KWF-subsidie binnen te halen. In totaal werden het, tot einde 2016, 10 Utrechtse promovendi, waarvan 6 op een oncologisch onderwerp. En, er zitten er nog 5 in de pijplijn. Of je als afdeling met het onderzoek enigszins op de goede weg bent kun je afmeten aan externe erkenning. In Nederland kennen we een aantal prestigieuze prijzen binnen de NVU: In 2013 was de "Van Stockumprijs" voor Stefanie Kroeze voor het proefschrift: “Renal cell carcinoma: advances in minimally invasive treatments and outcome prediction”. Dit werk was het resultaat van de nierkankeronderzoekslijn die ik kon opzetten met de "bruidsschat" die ik bij mijn aanstelling van de Raad van Bestuur kreeg en kon investeren in onderzoek. Met hulp van Prof. Emile Voest en Prof. René Medema [nu beide in de raad van bestuur van het AvL-NKI] kon ik in 2008 een plek creëren op het lab voor experimentele oncologie in het Stratenum en dr. Judith Jans als post-doc aanstellen. Toen door het vertrek van Emile Voest het focus van het lab voor experimentele oncologie vanaf 2011 niet meer op nierkanker lag, sloeg Judith terecht een andere weg in. Deze ontwikkeling bevestigde dat een kleine afdeling als de afdeling urologie in het UMC Utrecht alleen maar een nieuw onderzoeksprogramma kan opzetten als een grotere afdeling het je gunt mee te liften in een bestaand lab. Vanaf dat moment heb je minstens 5 jaar nodig om min of meer zelfstandig subsidies binnen te halen. Die tijd hebben we helaas niet gekregen. Een nieuwe poging om een onderzoekslijn op te zetten startte in 2011. Gesteund door de visie van Prof. Wouter Dhert toenmalig manager Onderzoek en Onderwijs van de Divisie en nu decaan van de faculteit Diergeneeskunde kregen we aansluiting bij het nieuwe UMC Utrecht speerpunt "Regenerative Medicine". Dit leidde tot het project "Tissue-engineering van de urethra", waar mijn opvolger hopelijk de vruchten van kan plukken. Tussen 2005 en 2016 is het jaarlijkse aantal wetenschappelijke publicaties in SCI tijdschriften bij de urologie voor volwassenen meer dan verviervoudigd.

Opleiding: De opleiding is sinds 2004 fors gegroeid. In 2016 is Laetitia de Kort, die het plaatsvervangend opleiderschap al in 2006 van Tycho Lock had overgenomen, mij als opleider opgevolgd. Richard Meijer werd plaatsvervangend opleider. We hebben in de afgelopen 13 jaar 36 jonge urologen afgeleverd. Het overdragen van technische expertise aan jongere stafleden en fellows is voor mij steeds een belangrijk doel geweest. Nog steeds, overigens! Binnen een centrum met voldoende kritische massa kun je je vaardigheid sterk verbeteren: hoe vaker je iets doet, hoe beter het gaat. Maar, oefenen en vaak doen is geen garantie op het verwerven van perfectie. Er is een andere factor die meespeelt en dat is talent. Talent is iets wat je niet kunt leren. Niet iedereen die dagelijks traint op de 100 m hardlopen wordt een Usain Bolt. Niet iedereen die dagelijks traint op voetbal wordt een Messi. Niet iedere robotchirurg kan 95% continentie voor urine bereiken na een radicale prostatectomie, zelfs niet na meer dan 500 ingrepen. Dat laatste is echter geen politiek correcte opmerking. Het past niet binnen een bedrijfsmatige aanpak van de behandeling van prostaatkanker zoals gepropageerd door de Martini Kliniek in Hamburg, de "knuffelkliniek" van de Nederlandse ziektekostenverzekeraars en aanhangers van de Value Based Health Care. Veel is beter, en iedere behandelaar kan "near-perfection" bereiken, is het mantra van de ziektekostenverzekeraars. Maar ze hopen vooral ook dat het goedkoper wordt. Dit mantra is echter een fata morgana; want we kunnen niet allemaal Messi of Cristiano Ronaldo worden; maar, misschien wel een Klaas-Jan Huntelaar?

 

Hoofdstuk 2

Zoals ik eerder al aangaf begint "het heden” op 1 januari 2014 met de voorbereiding op de joint venture met het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis. Deze had vanaf 1 januari 2015 in een aantal stappen moeten leiden tot de vorming van een AvL-Utrecht. Er zou in samenwerking tussen het UMC Utrecht en het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis een nieuw Oncologisch ziekenhuis op de Uithof komen.

Al in september 2011 zijn Simon Horenblas, hoofd van de oncologische urologie in het AvL, en ik gaan praten over hoe wij in het kader van deze ontwikkelingen het meeste voor onze respectievelijke afdelingen eruit zouden kunnen halen. Al snel werden we van voortrekker ook voorbeeld van een afdeling waar dit veranderproces goed werd opgepakt. In januari 2014 werd in het UMC de afdeling urologie gesplitst in een afdeling oncologische urologie en een afdeling voor de goedaardige urologische aandoeningen; de oncologische urologie kon zo "ingebracht worden" in de joint venture. Helaas is de joint venture niet doorgegaan. De splitsing van de afdeling bleef gelukkig bestaan en het UMC Utrecht ging alleen verder met een nieuwe divisie, het UMC Utrecht Cancer Center. Omdat de afdelingen oncologische urologie van het AvL en het UMC Utrecht door onze voortrekkers- en voorbeeldrol al erg ver waren met het vormgeven van de samenwerking, bleef deze samenwerking via beide raden van bestuur genieten van goede bestuurlijke (want er werd wel een alliantie-overeenkomst tussen het AvL en het UMC Utrecht getekend), logistieke en financiële ondersteuning. Onze voortrekkersrol had ons geen windeieren gelegd!

In het UMC Utrecht Cancer Center heerste een optimistische, "geen woorden maar daden"-sfeer. In het Cancer Center heb ik het afgelopen anderhalf jaar met veel genoegen kunnen werken in de programmadirectie voor de alliantie tussen het AvL en het UMC Utrecht. Als resultaat van de samenwerking was Simon Horenblas uit het AvL eind 2015 al tot hoogleraar oncologische urologie in het UMC Utrecht benoemd. De stafbezetting en de OK-tijd werd uitgebreid, iets wat binnen de oude divisie niet mogelijk zou zijn geweest. Op verzoek van Prof. Elsken van der Wall, de voorzitter van het Cancer Center werd ik vanaf medio 2016 Medisch Clusterhoofd van de Heelkundig Oncologische Disciplines (HOD) en kon meedenken over de nieuwe ontwikkelingen in het Management Team van het Cancer Center. Het werk in de programmadirectie heeft onder andere geleid tot de ondertekening van het "addendum urologie" bij de eerder genoemde alliantieovereenkomst in de zomer van 2017. Hierin worden de details van een verdere verdieping van onze samenwerking beschreven. Naar aanleiding van het bereiken van deze mijlpaal heb ik besloten om per 1 januari 2018 te stoppen in het UMC Utrecht. Mijn werk, mijn taak binnen het Cancer Center is "klaar".

 

Hoofdstuk 3

"Het nu” is de korte periode van de afgelopen 4 maanden, die gekenmerkt werd door een verrassende wending waarbij het UMC Utrecht Cancer Center samengevoegd werd met de Divisie Beeld onder een nieuw management. Hierbij kwamen verworvenheden, afspraken en succesvolle samen-werkingsverbanden betreffende de afdeling urologische oncologie ondanks het feit dat onze afdeling het financieel erg goed deed, plots opnieuw ter discussie. "Never a dull moment" in het UMC Utrecht. Natuurlijk moest er iets gebeuren want het UMC Utrecht Cancer Center heeft grote financiële tekorten, maar toch: ik zou dat anders hebben aangepakt en met Louis van Gaal kan ik het maar op één manier zeggen: “Ben ik nou degene die zo slim is, of zijn jullie nou zo dom?”.

Maar ik zie de ontwikkelingen voor de urologie in het UMC Utrecht toch positief: de oncologische stafleden zijn nu qua aanstelling volledig ontvlochten uit de divisie heelkundige specialismen. De OK-tijd van beide afdelingen wordt apart geadministreerd zodat er geen kannibalisering op de OK-tijd van de andere afdeling meer kan optreden. De OK-tijd en de stafbezetting van de oncologische urologie is uitgebreid. Dat laatste gelukkig ook voor de niet-oncologische urologie.

De robotgestuurde laparoscopische ingrepen voor kanker, vooralsnog vooral prostaat- en blaaskanker kunnen in deze setting prima verder ontwikkeld worden. De robotgestuurde chirurgie bij prostaatkanker wordt steeds belangrijker en geeft steeds betere resultaten. In de Verenigde Staten is sinds 2013 de radicale operatie bij prostaatkanker de behandeling die meer gedaan wordt dan radiotherapie, de uitwendige bestraling. Ook in Nederland is er in de loop van de jaren een enorme groei van het aantal radicale prostatectomieën geweest. In 1990 werden er in Nederland nog maar zo'n 150 radicale prostatectomieën gedaan; in 2016 was dat toegenomen tot zo'n 2700 operaties, dus 18x zo veel als in 1990! In 1990 werd bijna iedereen bestraald, terwijl in 2016 hooguit 1/3 van de mannen die voor een curatieve behandeling in aanmerking komen bestraald wordt; dat is nauwelijks meer dan het aantal dat geopereerd wordt. De toekomst voor zowel de algemene urologie voor volwassenen en kinderen, als voor de oncologische urologie is dus veelbelovend. Voor de zittende staf besluit ik hoofdstuk 3, met Hugo Walker en zijn legendarische uitroep: Kooomt dat schóóóóót .........! Zal de bal doel treffen ?? De tijd zal het leren.

 

Hoofdstuk 4

Wanneer je met pensioen gaat of afscheid neemt vraag je je ook af wat je achterlaat, wat je erfgoed is. Hoewel iedereen natuurlijk een blijvend stempel hoopt te drukken op de afdeling en wetenschappelijke bijdragen van blijvende waarde hoopt te leveren, ben ik er van overtuigd geraakt dat deze zaken grotendeels futiel zijn. Ik zie de aios die ik heb opgeleid, in Rotterdam als plaatsvervangend opleider sinds 1993 en als opleider sinds 2002 en in Utrecht als opleider van 2004 tot en met 2016, en de promovendi die ik heb afgeleverd als mijn enige echte erfgoed. Ik ben er trots op dat zoveel van die aios zich als prominente leden van de Nederlandse urologische gemeenschap manifesteren en dat ik een beetje heb mogen bijdragen aan hun vorming. Stoppen met een baan, een carrièrepad, is moeilijk. Als je je eenmaal aan een bepaald doel hebt verbonden, wil je dat ook tot een goed einde brengen. Als dat gelukt is, eventueel na bijstellen van het doel, levert stoppen of veranderen veel op. Als je daarenboven al een nieuw doel geformuleerd hebt wordt stoppen zelfs makkelijk.

In 2011 publiceerden we een artikel in European Urology over een enquête onder Nederlandse urologen over het in de praktijk toepassen van reconstructieve urethrachirurgie, en wel met name de open chirurgische behandeling van vernauwingen in de plasbuis bij mannen, de urethrastricturen. Eerder vermeldde ik dat ik al in de 90-er jaren vond dat we in Nederland een grote achterstand hadden op het gebied van de urethrachirurgie. Uit de enquête van 2011 kwam naar voren dat de Nederlandse urologen nog steeds geen goed inzicht hadden in de beste behandeling voor de patiënt. Ook kwam uit de enquête naar voren dat het vooral de oudere urologen waren die de open reconstructies mondjesmaat uitvoerden; jongere urologen hadden deze expertise slechts zelden. Uit de enquête bleek dus dat er een aanzienlijk maatschappelijk belang lag in het overdragen van de expertise in de urethrachirurgie aan jongere collega's: de toekomst van ons specialisme.

Door het vertrek uit het UMC Utrecht op basis van mijn levensloopregeling ben ik financieel onafhankelijk en kan daarom de visie van Cruijff volgen. Hij richtte in 1997 de Johan Cruijff Foundation op vanuit zijn Cruijffiaans simpele visie: “Als je de mogelijkheid hebt om iets voor een ander te doen, moet je dat doen”. Vanaf 1 januari 2018 help ik 1 dag in de week mijn collega Ronald Nooter in het Franciscus Gasthuis te Rotterdam. Ronald was nog arts-assistent-in-opleiding in 1993, het jaar dat ik in Rotterdam plaatsvervangend opleider werd. Hij heeft al veel ervaring in de urethrachirurgie en heeft mij gevraagd te helpen zijn expertise verder uit te breiden. Gezamenlijk zullen we ook een jongere, nog onervaren collega gaan opleiden.

Sinds 2005 kom ik af en toe in Moshi waar in KCMC een urologie-opleiding is opgezet door de Amerikaanse uroloog Lester Eshleman. Instructie en opleiding in de urethrachirurgie is een van de onderwerpen waar men in Moshi behoefte aan heeft. In 2017 ben ik 2 maal een week in Moshi geweest en ik zal dat in het komende jaar voortzetten en wel zolang er vraag vanuit Tanzania blijft. De behoefte aan urologen die de urethrachirurgie beheersen zal in de komende jaren toenemen en ik hoop me nog een tijdje in te kunnen zetten voor de opleiding van die urologen.

Dankwoord

Aan het einde gekomen van mijn rede wil ik graag een uitgebreid dankwoord uitspreken. 

In de eerste plaats dank ik de patiënten die in de loop van de jaren vertrouwen in mij gesteld hebben en dat ook nu nog doen, patiënten die hebben willen deelnemen aan patiëntgebonden onderzoek en de veelal gezonde deelnemers aan epidemiologisch cohortonderzoek. Veel personen die veel betekend hebben voor mijn carrière of op onmisbare wijze geholpen hebben om doelen te verwezenlijken die gericht waren en zijn op het verbeteren van het lot van de urologische patiënt, heb ik al met naam genoemd in mijn rede. Toch nog een speciaal woord voor mijn belangrijkste mentoren Prof. Fritz Schröder, Prof. Emile Tanagho, Derek Griffiths: dank voor de geboden kansen, de stimulans, de gesprekken, de discussies en de begeleiding. Ook wil ik het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht, de Raad van Bestuur van het UMC Utrecht en de Divisieleiding van de Divisie Heelkundige Specialismen bedanken voor het vertrouwen dat zij vanaf 2004 in mij stelden. De Divisieleiding van het UMC Utrecht Cancer Center, Prof. Esken van der Wall, Jos Kuilboer, Bert Fledderus en Prof. Richard van Hillegersberg dank ik voor het vertrouwen, het aanstekelijke enthousiasme en de positieve energie die mij vanaf 2014 in de "bijtekenmodus" gezet hebben.

Ook dank aan de vele andere collega's binnen het UMC Utrecht Cancer Center en wel met name de medisch oncologen, Prof. Els Witteveen en dr. Gerard Groenewegen en de radiotherapeuten Prof. Marco van Vulpen, dr. Wietse Eppinga, dr. Jochem Van der Voort van Zijp en dr. Robert Tersteeg, die in de diverse multidisciplinaire gremia een bijzonder positieve rol hebben gespeeld voor de urologische oncologie én Richard Meijer, Arto Boeken Kruger en mij zeer geholpen hebben.

Drs. Kees Bruinstroop bedank ik voor al het werk bij de voorbereiding van het International Continence Society Congres in 2007 in de Doelen te Rotterdam. Dat ik "Meeting Chairman" kon zijn van dit grote internationale congres was één van de highlights uit mijn carrière. Daarnaast heeft Kees, als penningmeester en secretaris, de Continentiestichting Nederland mede tot een succes gemaakt. Kees, zonder jouw expertise en connecties was dit nooit gelukt. Ook bedank ik de andere leden van het bestuur van het eerste uur: Guus Kramer, Gert Holstege, Mark Vierhout, Harry Vervest en last but not least John Heesakkers.

Ook dank aan het "organizing committee" van ICS 2007, vooral Mark Vierhout, de "Scientific Chair" en Marijke Slieker die eigenlijk als eerste met het idee kwam om de ICS naar Nederland te halen: we hebben het samen gedaan, vanaf het binnenhalen van de nominatie in 2003 tot en met de oprichting van de Continentiestichting Nederland.

Dank aan alle collega's uit het Rotterdamse, eerst AZR-Dijkzigt en later ErasmusMC voor de opleiding en later de prettige en stimulerende samenwerking in de 16 jaren dat ik daar mocht werken als clinicus, onderzoeker en opleider.

Dank aan Prof. Emile Voest, Prof. Rene Medema, Dr. Christiaan van Swol, Prof. Wouter Dhert voor de hulp bij het opzetten van een onderzoeksprogramma. Deze inspanningen hebben er mede toe geleid dat de afdeling urologie naast functioneel-reconstructief ook oncologisch op de kaart kon komen.

Dank aan de stafleden-collega's in het UMC Utrecht waar ik ruim 13 jaar heb kunnen werken om de afdeling urologie "from scratch" te brengen tot waar die nu staat. Jullie hebben nu zelfs twee afdelingen om trots op zijn; maar, denk er aan: kooomt dat schóóóóót.......! The game is on...!

Dank ook aan de industrie, de firma's, met name SKF, later GSK, Pfizer, Medtronic, AstraZeneca, Ferring, Hoogland en Astellas die natuurlijk ook een beetje uit eigenbelang, mijn projecten financieel gesteund hebben en veel onderzoek vooral op niet-oncologische gebied, mogelijk hebben gemaakt dat anders geen kans zou hebben gekregen.

Dank ook aan de opleiders, plaatsvervangend opleiders en opleidingsgroep van de klinieken in het Opleidingscluster Utrecht: het Jeroen Bosch ziekenhuis te Den Bosch, Het Elisabeth-Tweestedenziekenhuis te Tilburg en het Antoniusziekenhuis te Nieuwegein-Utrecht. Door de stimulerende samenwerking zijn wij er in geslaagd om een opleidingsplaats urologie in het Cluster Utrecht tot één van de meest gewilde in Nederland te maken.

Dank aan de medebestuursleden in het NVU-bestuur en de dames van het NVU-bureau voor de ondersteuning. Tijdens mijn voorzitterschap in de jaren 2014 en 2015 is het door de inspanning van ons allen gelukt om de NVU als wetenschappelijke vereniging, ondanks aanvankelijke weerstand bij veel leden, te laten aansluiten bij de Federatie Medisch Specialisten. Een zeer belangrijke ontwikkeling voor de NVU!

De urologengroep van het AvL, in het bijzonder Prof. Simon Horenblas en Dr. Henk van der Poel die veel tijd gestoken hebben in de samenwerking, de alliantie tussen AvL-NKI en UMC Utrecht Cancer Center en veel meer gegeven hebben dan ze hebben gekregen. Onze afdeling in Utrecht vaart er wel bij en ik hoop dat de samenwerking nog lang zal bloeien en tot een waarlijke win-win situatie zal leiden.

Dank aan mijn secretaresse Margo Fabrie. Margo, mijn leven als afdelingshoofd is echt veranderd toen jij voor mij bent komen werken. Door jouw toegewijdheid en nauwkeurigheid klopte alles steeds. Wat een genot was het om met jou samen te werken.

Mijn familie, mijn ouders en zus Marion; van jullie heb ik steeds trotse steun genoten. Het is fantastisch dat mijn moeder hier vandaag nog bij kan zijn.

Tot slot: Ina, zonder jou was dit allemaal niet mogelijk geweest. Je hebt mij altijd uit de wind gehouden en de kans gegeven om mijn werk, mijn hobby uit te oefenen terwijl jij je met de echt belangrijke zaken zoals de opvoeding van Steven en Iris en de sociale contacten bezig hield. Ondanks het feit dat we beiden niet helemaal gestopt zijn hebben we gelukkig de laatste tijd weer wat meer tijd voor elkaar, onze kinderen, kleinkinderen en vrienden. Steven, Iris, ik hoop in de komende jaren een klein beetje aan jullie kids, onze lieve kleinkinderen, te kunnen geven wat jullie zelf te kort gekomen zijn.

 

 

© 2016 Continentie Stichting Nederland  |  Disclaimer Contact